ENGLISH BELOW
Op 2 september 2022 liep ik vanuit Sulden – Solda in het Italiaans – een trailrun door het hooggebergte van de Ortlergroep. Vanuit het Zuid-Tiroolse dorp ging het omhoog richting de Hinterer Pederspitz (Punta Peder di Dentro), op weg naar de Passo del Madriccio, met de Ortler en de Königspitze voortdurend in beeld. Een tocht van ongeveer 25 kilometer en 1750 feestelijke stijgingsmeters.
De eerste tien kilometer waren vrijwel volledig klimmen. De laatste twee waren technisch; mijn kaart gaf T4 aan. Op sommige plaatsen was het meer klauteren dan lopen, maar nergens voelde het onveilig. Het was vooral een prachtige tocht, met boven een uitzicht dat me altijd is bijgebleven.
Op 31 augustus 2026 wilde ik die tocht daarom opnieuw lopen.
Ik vertrok rond half twee uit Sulden. De eerste kilometers waren vertrouwd. Maar hoe hoger ik kwam, hoe vaker het pad onder steenpuin verdween. Eerst was dat geen probleem. Even stilstaan, kaart erbij, rondkijken, het spoor terugvinden en wat improviserend over de rotsblokken klauteren. Ik kende de route en ging ervan uit dat het pad verderop wel weer tevoorschijn zou komen.
Dat gebeurde niet.
De helling werd wel steeds steiler. Het pad verdween volledig en maakte plaats voor een massa losse stenen. Alles bewoog. Bij iedere stap schoof de ondergrond onder mijn voeten weg. Toch bleef ik denken dat dit een plaatselijk probleem was. Ik had deze route immers al gelopen. Verderop zou het wel weer normaal worden.
Maar verderop werd het alleen maar erger.
Op een bepaald moment begreep ik dat ik niet zomaar kon terugkeren. De helling was inmiddels zo steil dat afdalen over het losse gesteente veel gevaarlijker was als verder omhooggaan. Maar boven mij strekte zich nog ongeveer een kilometer uit.
Een kilometer op een bergpad is altijd een uitdaging. Maar op dit terrein was het bijna onbegonnen werk — toch voor mij.
Er was geen pad meer. Alleen een bijna verticale helling van los gesteente, met nauwelijks iets waaraan ik me kon vasthouden. Toen wist ik dat ik een ferm probleem had.
Ik heb in de bergen al veel meegemaakt en ben op behoorlijk moeilijke plaatsen geweest, maar dit was nog van een heel andere orde. Dit was absoluut geen T4 meer. Het voelde eerder als T6: terrein waarvoor je normaal niet alleen onderweg bent en waarbij aangepast materiaal en beveiliging aangewezen zijn. Ik had alleen mijn loopschoenen aan. Trailrunstokken had ik bij me, maar daar had ik op dit terrein uiteraard niets aan en ik hield ze opgeborgen in mijn rugzakje.
Ik heb het geluk dat ik op zulke momenten ongelooflijk rustig blijf. Natuurlijk dringt het tot me door dat de kans dat dit slecht afloopt bijzonder groot is. Maar dat besef lijkt ergens tegen een muur te botsen: het is er wel, maar het krijgt geen toegang tot de rest van mijn denken. Iets anders neemt het over. Niet nadenken over wat er kan gebeuren, alleen over wat er nu moet gebeuren. Angst helpt je niet wanneer je letterlijk tegen een helling hangt. Je moet je volledig concentreren op de volgende beweging.
Sommige passages moest ik met mijn laatste krachten omhoog. Mijn voeten schoven al naar beneden terwijl ik met mijn handen naar houvast zocht. Soms had ik slechts met enkele vingertoppen grip op een steen of een klein randje, en zelfs dan wist ik niet of het gesteente zelf wel zou blijven zitten. Achter mij was alleen de leegte. Terwijl je daar hangt, zie je in gedachten al wat er gebeurt als je grip verliest: je lichaam dat naar beneden dondert, steeds sneller, over de scherpe stenen en rotsen. Op zulke momenten was ik niet zozeer bang voor de dood als wel voor de pijn die eraan vooraf zou gaan.
Wanneer ik ergens een grotere, min of meer stabiele rots bereikte, kon ik even op adem komen. Ik haalde mijn digitale kaart boven en probeerde het terrein opnieuw te lezen. Welke steen kon ik bereiken? Waar kon ik mijn voet zetten? Waar kon ik mijn handen kwijt? Waar zat misschien een stukje waarop ik weer even rechtop kon staan? Soms was het antwoord eenvoudigweg nergens. In de komende meters was geen enkele plek te zien die betrouwbaar genoeg leek om naartoe te gaan.
Dan moest ik toch bewegen. Ik zette me zo dicht mogelijk tegen de helling, koos een punt enkele meters hoger en schoot ernaartoe als een pijl. Een korte explosie van kracht en snelheid, vooroverleunend, zonder tijd om na te denken. Want daar kon je beter niet tot stilstand komen. Zodra je op het losse gesteente vertraagt, krijgt de zwaartekracht vat op je. Je voeten beginnen te schuiven en ineens ben je niet meer bezig met omhooggaan, maar met proberen te voorkomen dat je naar beneden dondert.
Bijna een uur deed ik over dat laatste stuk. Een paar keer dacht ik eraan een helikopter te bellen. Een gedachte die ik telkens liet varen.
En dan, in de laatste honderd à tweehonderd meter veranderde alles. Plotseling verscheen het pad opnieuw. Eerst nauwelijks zichtbaar, daarna steeds duidelijker. Ik was boven.
Ik belde meteen een vriend met eveneens enorm veel ervaring in de bergen. Ik moest mijn verhaal kwijt aan iemand die begreep wat het betekent om daar alleen te staan en niet meer zeker te weten of je nog boven raakt.
Daarna keek ik naar de Ortler en de Königspitze. Het uitzicht was opnieuw fenomenaal. Maar iets anders viel me nu veel sterker op: de gletsjers waren veel kleiner dan ik me van vier jaar geleden herinnerde.
Het verband behoeft nauwelijks uitleg. De verdwenen route onder mijn voeten, het losgekomen gesteente, de steenlawines en de teruggetrokken gletsjers waren geen afzonderlijke verschijnselen. Ze waren allemaal tekenen van een hooggebergte dat verandert.
Door de opwarming van de Alpen ontdooit de permafrost. Gesteente en bodem die vroeger permanent bevroren waren en steile hellingen stabiliseerden, komen in beweging. Rotsen breken los, hellingen worden instabiel en steenlawines kunnen routes die jarenlang probleemloos waren, volledig uitwissen.
Dat heeft ook gevolgen voor hoe we naar kaarten kijken. Ik vertrouw op mijn digitale kaarten; voor het overgrote deel zijn ze zeer betrouwbaar. Maar een kaart toont een route die ooit, liefst tamelijk recent, is geregistreerd. Maar ze weet niet hoe de berg intussen veranderd is. Een pad dat enkele jaren, of zelfs enkele weken geleden, nog perfect begaanbaar was, kan vandaag verdwenen zijn. Soms verandert de werkelijkheid sneller dan de informatie erover.
Rond vijf uur was ik terug in Sulden. Ik liep meteen naar het toerismebureau, waar de medewerkers juist op het punt stonden af te sluiten. Ik vroeg of ze nog even tijd hadden en vertelde wat er was gebeurd.
Ze stonden versteld. Vooral dat ik het traject überhaupt had overleefd. Ze bevestigden dat de route inderdaad levensgevaarlijk was. Maar volgens hen was ze op twee plaatsen afgesloten en waren daar waarschuwingen aangebracht.
Ik verzekerde hen dat ik de gewone paden had gevolgd, maar dat ik nergens iets had gezien. Geen afsluiting, geen waarschuwing, geen bord dat aangaf niet verder te gaan. Als ik ergens een duidelijke afsluiting had gezien, was ik uiteraard omgekeerd. Ik ben niet roekeloos en zoek geen levensgevaarlijke passages op. Maar je kunt alleen rekening houden met een gevaar waarvan je weet dat het er is.
We kwamen overeen dat ze de route opnieuw en vooral heel duidelijk zouden afzetten. Het was het eerste karwei dat ze de volgende ochtend zouden aanpakken.
Ik hoop dat dat inmiddels gebeurd is. Niet voor mezelf – ik ben er gelukkig weer uitgeraakt – maar voor degene die na mij komt en op basis van dezelfde kaart aan die klim begint.
Want een bergpad is uiteindelijk maar een lijn die iemand ooit op een kaart heeft getekend. De berg zelf trekt zich daar niets van aan. Die verandert, langzaam en soms plotseling, onder invloed van steenval, smeltend ijs en ontdooiende permafrost.
Vier jaar geleden volgde ik hier een moeilijke maar perfect doenbare route. Deze keer eindigde die route ergens onder een helling van los gesteente. Op mijn en andere kaarten liep het pad echter gewoon verder.
De kaart en het gebied.
ENGLISH
On September 2, 2022, I set out from Sulden — Solda in Italian — for a trail run through the high mountains of the Ortler Alps. From the South Tyrolean village, I climbed towards the Hinterer Pederspitz (Punta Peder di Dentro), on my way to the Madriccio Passo, with the Ortler and Königspitze constantly in view. Around 25 kilometres and 1,750 gloriously hard-earned metres of ascent.
The first ten kilometres were almost entirely uphill. The final two were technical; my map rated them T4. In places it was more scrambling than running, but nowhere did I feel unsafe. It was above all a beautiful route, with a view from the top that has stayed with me ever since.
So, on August 31, 2026, I decided to run the route again.
I left Sulden at around half past one. The first few kilometres were familiar. But the higher I climbed, the more often the trail disappeared beneath loose rock. At first this was no problem. Stop for a moment, check the map, look around, find the trail again, and scramble over the rocks with a little improvisation. I knew the route and assumed the trail would reappear further on.
It didn’t.
The slope, however, was getting steeper and steeper. The trail disappeared completely, replaced by a mass of loose rock. Everything was moving. With every step, the ground shifted beneath my feet. Even so, I kept thinking this was only a local problem. I had run this route before. Further on, surely, things would return to normal.
But further on, it only got worse.
At a certain point I realised that I could no longer simply turn back. The slope had become so steep that descending through the loose rock was far more dangerous than continuing upwards. But there was still roughly a kilometre above me.
A kilometre on a mountain trail is always a challenge. But on this terrain, it was almost impossible — at least for me.
There was no trail anymore. Only an almost vertical slope of loose rock, with barely anything to hold on to. That was when I realised I had a serious problem.
I have experienced a lot in the mountains and have been in some pretty difficult places, but this was on an entirely different level. This was certainly no longer T4. It felt more like T6: terrain where you would normally not be travelling alone and where appropriate equipment and protection would be advisable. I was wearing nothing but my running shoes. I had trail-running poles with me, but they were obviously useless on terrain like this, so I kept them stowed in my pack.
I am fortunate that I remain remarkably calm in situations like this. Of course, I understood that the chances of this ending badly were very real. But somehow that awareness seemed to hit a wall: it was there, but it could not gain access to the rest of my thinking. Something else took over. Don’t think about what might happen. Think only about what needs to happen now. Fear is of no use when you are literally clinging to the side of a mountain. You have to concentrate entirely on the next movement.
Some sections had to be climbed with the last of my strength. My feet were already slipping downhill as I searched for something to hold on to with my hands. Sometimes I had only the tips of a few fingers gripping a stone or a tiny ledge, and even then I had no idea whether the rock itself would stay in place. Behind me there was nothing but empty space. As you hang there, you can already see in your mind what happens if your grip gives way: your body plunging downwards, gathering speed, over sharp stones and rocks. At those moments I was not so much afraid of death as I was of the pain that might come before it.
Whenever I reached a larger, reasonably stable rock, I could stop and catch my breath for a moment. I took out my digital map and tried to read the terrain again. Which rock could I reach? Where could I place my foot? Where could I put my hands? Where might there be a small patch where I could stand upright again for a moment? Sometimes the answer was simply nowhere. For the next few metres, there was not a single place that looked reliable enough to move towards.
And yet I had to keep moving. I pressed myself as close to the slope as possible, picked a point a few metres higher up and launched myself towards it like an arrow. A brief explosion of strength and speed, leaning forward, with no time to think. Because you really did not want to stop there. The moment you slow down on loose rock, gravity takes hold. Your feet begin to slide, and suddenly you are no longer trying to climb upwards but trying to prevent yourself from plunging down the mountain.
It took me almost an hour to cover that final section. A few times I considered calling a helicopter. Each time I dismissed the thought.
And then, in the final hundred or two hundred metres, everything changed. Suddenly the trail reappeared. At first barely visible, then increasingly clear. I was on top.
I immediately called a friend with an enormous amount of experience in the mountains. I needed to tell the story to someone who understood what it means to stand there alone, no longer certain that you are going to make it to the top.
Then I looked towards the Ortler and Königspitze. The view was once again phenomenal. But something else struck me much more forcefully this time: the glaciers were far smaller than I remembered them from four years earlier.
The connection hardly needs explaining. The vanished trail beneath my feet, the loosened rock, the rockfalls and the retreating glaciers were not separate phenomena. They were all signs of a high mountain environment undergoing profound change.
As the Alps warm, the permafrost thaws. Rock and soil that were once permanently frozen, helping to stabilise steep slopes, begin to move. Rocks break loose, slopes become unstable, and rockfalls can completely erase routes that had been perfectly safe for years.
This also changes the way we should think about maps. I rely on my digital maps; for the most part, they are highly reliable. But a map shows a route that was recorded at some point in the past, ideally fairly recently. It does not know how the mountain has changed since then. A trail that was perfectly passable a few years ago — or even a few weeks ago — may have disappeared today. Sometimes reality changes faster than the information we have about it.
At around five o’clock I was back in Sulden. I went straight to the tourist office, where the staff were just about to close. I asked if they had a moment and told them what had happened.
They were astonished. Particularly that I had managed to make it out at all. They confirmed that the route was indeed life-threatening. According to them, however, it had been closed at two points and warning signs had been put up.
I assured them that I had followed the normal trails, but that I had seen nothing anywhere. No barrier, no warning, no sign telling me not to continue. If I had seen a clear closure, I would obviously have turned around. I am not reckless, and I do not go looking for life-threatening situations. But you can only take a danger into account if you know it is there.
We agreed that they would close the route again, and this time make the closure unmistakably clear. It was the first thing they intended to deal with the following morning.
I hope that has happened by now. Not for my sake — fortunately, I made it out — but for whoever comes after me and starts the climb based on the same map.
Because ultimately, a mountain trail is only a line that someone once drew on a map. The mountain itself takes no notice. It changes, slowly and sometimes suddenly, under the forces of rockfall, melting ice and thawing permafrost.
Four years ago, I followed a difficult but perfectly manageable route here. This time, that route ended somewhere beneath a slope of loose rock. Yet on my map, and on others, the trail simply continued.
The Map and the Territory.