Laatste aantekeningen van E.H. Ramadhoe - een kleine fenomenologie van borsten

L. P. Boon

Men heeft mij ooit laten opdraven in een roman van Louis Paul Boon. De paradijsvogel, meen ik. Een goede titel. Alsof men vermoedde dat sommige figuren niet in kooien thuishoren maar af en toe op een tak verschijnen, een paar woorden krassen en weer verdwijnen.

Ik heb het Boon nooit kwalijk genomen. Hij had mij niet uitgevonden; hij had mij slechts herkend. Zoals men een oude bekende herkent in een menigte en zegt: daar loopt hij weer, die Ramadhoe, altijd opduikend waar het over schoonheid en verwarring gaat. En ja, misschien — laat mij dat hier achteloos laten vallen — was hij mij deels zelf wel. Of omgekeerd. Men weet nooit precies wie wie gebruikt wanneer het over schoonheid gaat.

Wat er ook van zij, laat mij dus, nu men beweert dat mijn dagen geteld zijn, nog eenmaal iets zeggen over dat onderwerp dat mij mijn hele leven vergezelde: de borst.

U denkt misschien dat dit een schunnige tekst wordt. Dat is een begrijpelijke vergissing. Maar ik heb nooit de vorm bemind; ik heb de vormeloosheid bemind.

Wat is een borst? Men zou kunnen antwoorden met maten, gewichten, contouren. Maar wie werkelijk kijkt, merkt dat geen enkele beschrijving standhoudt. Zij ontsnappen voortdurend aan hun eigen vastlegging. Wat men denkt te zien, verandert onder een andere lichtval, onder een andere stof, onder een andere blik.

En dan is er de beha — wat een uitvinding. Men denkt dat zij vorm geeft, fixeert, disciplineert. Maar in waarheid is zij een choreograaf. Zij organiseert een verschijning. Dezelfde borst verschijnt onder verschillende beha’s als een ander wezen: streng, speels, verheven, bijna ascetisch. Het vormeloze wordt niet tot één vorm gekneed; het wordt uitgenodigd zich telkens anders te tonen.

Het is een dans van verschijningen.

Men begrijpt hier iets wat de filosofie van de horror al langer weet: de diepste ontregeling komt niet van wat men kan aanwijzen, maar van dat wat zich niet laat stabiliseren. Het monster is niet dat wat men ziet, maar dat wat zich aan elke definitie onttrekt. De borst is geen monster — zij is te gul voor dat woord — maar zij deelt met het monster dat vermogen om het verstand zijn zekerheden te ontnemen.

Men denkt dan dat de vrouw die macht bezit. Dat zij de sleutel draagt tot het mysterie.

Maar ook zij staat ertegenover.

Ik heb vrouwen gezien die zelf verstomden onder de kracht die van hen uitging. Zij spelen het spel, ja. Soms met ironie, soms met ernst. Maar zij bezitten het niet. Zoals een auteur zijn personages niet bezit. Zoals Boon mij niet bezat.

Wij projecteren achter de borst een ultieme macht, alsof daar een alwetende instantie schuilgaat. Zoals men achter een tekst een almachtige auteur projecteert. Maar de waarheid is eenvoudiger en tegelijk ontregelender: wij zijn allen in de greep van hetzelfde veld.

De borst is geen godin. Zij is een oppervlak waarop transcendentie zich verraadt in het meest concrete. Dat wat niet te beheersen is, maar zich toch toont. Dat wat zich niet laat reduceren tot begrip, maar evenmin tot mystiek kan worden opgeblazen zonder belachelijk te worden.

Velen zijn hier gestrand. Zij wilden bezitten. Zij wilden doorstoten tot het geheim. Zij meenden dat er achter de vorm een laatste kern schuilging, een waarheid die men kon vasthouden.

Maar iedere poging tot definitieve onthulling onthult slechts een nieuwe verschuiving. Wat zich laat zien, laat zich nooit volledig hebben. “If you have her, why can’t you have her?” vroeg een andere schrijver. Omdat het hebben zelf de illusie is.

Ik heb geleerd het anders te zien.

Erotiek is geen verovering; zij is een spel. Een heilig spel, indien men dat woord nog durft te gebruiken zonder te blozen. Men gaat maximaal op in de illusie om haar juist daardoor te doorzien. Men speelt met de verschijning, niet om haar te ontmaskeren, maar om samen te ontdekken dat zij geen vast fundament heeft.

En daar, in die wederzijdse erkenning, verandert de vrouw van godin in mede-speler. Geen alwetende instantie die het geheim bezit, maar een andere transcendentie, even zoekend, even glimlachend.

Misschien is dat wat ik mijn hele leven heb willen zeggen.

Men heeft mij een borstenman genoemd. Dat is niet onjuist. Maar men vergat eraan toe te voegen dat ik vooral een bewonderaar was van het onvatbare.

Men zegt mij dat ik weldra sterf. Dat is mogelijk. Het lichaam heeft zijn afspraken met de tijd, en ik ben niet iemand die administratieve formaliteiten wil tegenwerken.

Maar laten wij ernstig blijven: wie denkt dat hij van mij verlost zal zijn, vergist zich.

Ik ben nooit uitsluitend van vlees geweest.

Wanneer een borst zich toont en zich tegelijk onttrekt.

Wanneer een beha haar rol speelt en niemand meer weet wie het stuk heeft geschreven.

Wanneer men even niet weet of men bewondert of bewonderd wordt.

Daar ben ik.

Immer de uwe.

Ps: Over Boons 'De paradijsvogel' schreef ik eerder hier

Next
Next

Ode to the Diedamskopf (Schoppernau)