Niemand is auteur (over literatuur, auteurschap en AI)

De Franse schrijver Thélyson Orélien werd deze week door de Académie Goncourt uit de selectie voor de Prix Goncourt verwijderd met zijn roman C’était ça ou mourir. De aanleiding: beschuldigingen van plagiaat en analyses die volgens de Academie erop wijzen dat de roman “zeer waarschijnlijk” voor een groot deel door artificiële intelligentie werd geproduceerd. De Academie verklaarde dat ze daarmee de integriteit van de prijs wilde beschermen en wilde benadrukken dat ze literatuur bekroont die door vrouwen en mannen is geschreven. Orélien ontkent dat hij AI heeft gebruikt.

Ik vind dit een merkwaardige ontwikkeling. Niet omdat AI-gebruik per definitie onproblematisch zou zijn, en ook niet omdat plagiaat onbelangrijk zou zijn, maar omdat hier een veel fundamentelere vraag wordt gesteld: wat maakt een tekst tot literatuur?

Waarom zouden we een tekst niet in de eerste plaats op de tekst zelf beoordelen?

Een goede tekst is een goede tekst. Een slechte tekst is een slechte tekst. De vraag wie of wat precies heeft meegewerkt aan het ontstaan ervan kan interessant zijn (bijvoorbeeld in het kader van een academische opleiding), maar ze maakt een tekst niet vanzelf beter of slechter. En zeker bij AI bevinden we ons op glad ijs. Niemand kan met zekerheid reconstrueren hoeveel hulp een schrijver bij het ontstaan van een tekst heeft gekregen. Bovendien maken schrijvers altijd al gebruik van andere geesten en andere technologieën: redacteurs, vertalers, woordenboeken, archieven, zoekmachines, gesprekken, software. Waarom zou juist de machine een magische grens markeren?

Sterker nog: AI bedreigt misschien niet het auteurschap, maar de fictie dat auteurschap ooit volledig individueel is geweest.

We hebben nog altijd het hardnekkige beeld van de schrijver als een soort soeverein individu dat achter zijn tekst staat en die volledig beheerst. Alsof het boek eerst ergens in zijn hoofd bestaat en vervolgens alleen nog maar op papier hoeft te worden gezet. Maar zo werkt schrijven helemaal niet.

Roland Barthes wees daar al op in zijn beroemde essay La mort de l’auteur uit 1967. De tekst is geen transparante doorgang naar een oorspronkelijke betekenis die ergens in het hoofd van de auteur ligt opgeslagen. Want de schrijver weet bij het begin van een tekst zelf niet wat die tekst zal worden. Schrijven is geen uitvoering van een vooraf bestaand plan. Tijdens het schrijven ontstaat een dynamiek die de schrijver zelf kan verrassen en meeslepen. Een zin roept een andere zin op. Een beeld brengt een herinnering terug. Een toevallige formulering opent een nieuwe gedachte. Een personage begint zich anders te gedragen dan de schrijver had voorzien. Het boek begint terug te praten tegen degene die het schrijft.

De schrijver beweegt dus niet alleen naar de tekst toe. Hij wordt tijdens het schrijven ook door de tekst gevormd.

Dat proces is altijd al groter geweest dan het individu. Het wordt gedragen door de taal die we erven, door andere boeken, gesprekken, herinneringen, invloeden, culturele tradities en toevalligheden. De schrijver is geen geïsoleerde bron waaruit het werk ontspringt. Hij bevindt zich midden in een stroom die ouder en groter is dan hijzelf.

En nu kan daar een machine bijkomen. Waarom zou dat proces moeten worden afgeblokt?

AI kan een nieuwe vorm van weerstand, verrassing en samenwerking in het schrijfproces brengen. Het kan een gedachte een onverwachte richting uitsturen, een formulering teruggeven die de schrijver dwingt opnieuw te kijken, iets voorstellen waartegen hij zich juist moet verzetten. Het kan het proces waarin een tekst ontstaat verrijken.

Dat is geen pleidooi om de machine het werk te laten doen. Een paar eenvoudige commando's invoeren levert geen goede literatuur op. Als AI ons op industriële schaal middelmatige teksten kan leveren, zullen onze eisen juist hoger moeten worden. Verbeelding, selectie, oordeel, vormgevoel, risico en revisie worden daardoor niet overbodig, maar belangrijker.

De vraag is dus niet of een machine “de schrijver” wordt. De interessantere vraag is wat er gebeurt wanneer een machine onderdeel wordt van het proces waarin een schrijver probeert iets te ontdekken wat hij bij het begin zelf nog niet kent.

Misschien moeten we daarom ophouden met de vraag: wie heeft dit geschreven? En eerst vragen: wat is hier geschreven?

Daarmee komen we ook dichter bij een oudere literaire ervaring: die van het anonieme werk. Er zijn tijden geweest waarin een tekst kon circuleren zonder dat de naam van de maker zijn betekenis bepaalde. Misschien is daar iets bevrijdends aan. Schrijven wordt dan minder een monument voor het individu en meer een daad van overdracht: iets de wereld in sturen en het vervolgens loslaten.

Franz Kafka begreep bijvoorbeeld — tot zijn eigen grote frustratie — dat een tekst eenmaal geschreven een eigen leven gaat leiden. Het wordt een lichaam tussen schrijver en lezer, een sociaal lichaam dat door niemand volledig wordt beheerst. Juist daarin ligt misschien een sleutel tot literatuur: het werk ontsnapt uiteindelijk aan degene die het heeft gemaakt.

AI maakt die ontsnapping niet noodzakelijk groter, maar wel zichtbaarder.

Want misschien is dat wat ons werkelijk ongemakkelijk maakt. Niet dat machines kunnen schrijven, maar dat ze ons dwingen toe te geven hoe weinig soeverein de schrijver altijd al is geweest.

De schrijver schrijft niet alleen de tekst. De tekst schrijft, in zekere zin, ook de schrijver.

Daarom hoeft AI niet noodzakelijk een bedreiging voor de literatuur te zijn. Het kan een nieuwe kracht worden binnen een proces dat altijd al collectief, toevallig en gedeeltelijk onvoorspelbaar is geweest. De machine kan nieuwe stemmen, nieuwe verbanden en nieuwe vormen van weerstand in dat proces brengen. Wat daaruit voortkomt, moeten we vervolgens gewoon beoordelen.

Op de tekst. Niet op de mythe van degene die erachter zou zitten.

Misschien wordt het daarom tijd om de auteur nog één keer van zijn voetstuk te halen.

Niemand is auteur.

Of misschien zijn we het allemaal een beetje.

Next
Next

The mountains remain