GEESTESADEM
- het zelf in digitale tijden: van mind tot Hivemind? -
Figuur 1 uit: Basar, Coupland, Obrist, 2021
Wie een moment lang kijkt naar mensen op een populaire uitkijkplaats, ziet een vreemd soort paradox. Het decor is overweldigend: bergwanden die openscheuren, mist die optrekt uit dalen, horizonlijnen die zich in de verte verliezen. Je ziet de bezoekers even stilvallen. Een schok van schoonheid, een aanraking door iets groters dan onszelf.
Maar nog vóór dat moment zich goed heeft kunnen verdiepen, gebeurt er iets. Een hand gaat omhoog. Smartphones worden bovengehaald. Het tafereel wordt gekaderd, vastgezet. De oeroude, directe ervaring wordt ingewisseld voor de representatie van die ervaring.
Het opvallende is niet eens dat we een foto maken. Dat gebeurt al meer dan honderd jaar. Het opvallende is waar het zwaartepunt van de ervaring komt te liggen: niet langer in de eigen beleving, maar in hoe die beleving eruitziet voor een denkbeeldig publiek. Alsof we niet meer op die berg staan voor onszelf, maar voor een horizon van blikken die men niet kent maar die wel meetellen.
Dit is geen triviale observatie. Het is een venster op een veel grotere verschuiving: wij leven steeds minder van binnenuit en steeds meer van buitenaf. We beleven onszelf steeds meer zoals we verschijnen. Het is een beschrijving van een fundamentele verschuiving in de zwaartekracht van het zelf. De mens kijkt niet alleen naar het landschap, maar kijkt ook naar zichzelf terwijl hij naar het landschap kijkt. De ervaring wordt secundair, de representatie primair. De existentiële vraag 'Wat voel ik in dit moment?' verschuift naar de curerende vraag 'Hoe ziet dit eruit voor anderen?'
Wie we zijn, lijkt niet meer te huizen binnen de grenzen van ons lichaam, maar begint te zweven rondom ons als een halo van beelden, data, indrukken en interpretaties.
Het is alsof ons zelf niet langer een 'plek' is, maar een veld van verschijning. De buitenkant is niet langer een complement van de binnenkant, maar een dwingend kader waarin de binnenkant zich moet inschrijven.
Toch is dat geen moderne afwijking, maar eerder het eindpunt van een ontwikkeling die honderdduizenden, of beter nog, miljoenen jaren geleden begonnen is. Om dat te begrijpen moeten we terug naar het begin: naar de mens die nog geen 'ik' had, geen binnenwereld, geen zelfbewustzijn — maar wel een lichaam dat zich spiegelde aan anderen.
In dit essay probeer ik te begrijpen hoe onze binnenruimte — wat wij gewoonlijk het zelf noemen — ooit is ontstaan, en waarom zij vandaag opnieuw onder druk komt te staan. In deel I reconstrueer ik de lange geschiedenis van het zelf: hoe het langzaam is voortgekomen uit mimese, gedeelde aandacht en culturele resonantie. Ik laat zien dat het zelf nooit een autonome kern was, maar de binnenzijde van een zichtbaarheid die altijd al tussen mensen circuleerde en ons van binnenuit vormde.
In deel II verschuift de aandacht naar het heden. Met de opkomst van fotografie, film, internet en sociale media is onze buitenruimte explicieter en dwingender geworden dan ooit. We beleven onszelf steeds meer via beelden, data en profielen die door anderen en door algoritmen worden geordend. Daardoor ontstaan nieuwe vormen van collectief gedrag — zwermen — die voortkomen uit gedeelde zichtbaarheid in plaats van gedeelde intenties. In dat licht onderzoeken we ook enkele technologische verbeeldingen van Silicon Valley: het Metaverse-scenario, digitale dubbelgangers en de droom van een Hivemind. Ik laat zien hoe deze toekomstbeelden vaak steunen op een technodeterministische logica die het verdampen van ons zelf in een digitale buitenruimte voorstelt als iets onvermijdelijks.
In de Epiloog zoek ik naar een andere mogelijkheid. Tussen het oude, gesloten innerlijk dat achter ons ligt en het oplossen van het zelf in de digitale cloud, probeer ik een derde weg zichtbaar te maken. Ik noem die geestesadem: een doorlaatbare, resonante verhouding tussen binnen en buiten. Geen terugkeer naar afzondering, maar ook geen verdamping in datastromen — eerder een manier van aanwezig zijn die niet afsluit en niet oplost, maar ademt.
Tot slot nog dit. We zien de wereld nooit onbevangen, maar altijd door onze eigen begrippen heen. Dit essay hoopt onze kaders over zelf en geest te verrijken, zodat we beter kunnen begrijpen wat er vandaag gebeurt en niet gedachteloos worden meegesleurd door commerciële agenda’s of technologische hype. Alleen vanuit heldere kader kunnen we zelf mee vormgeven aan onze toekomst.
I. ZELF
1. Bewustzijn en zelfbewustzijn
Om de bovenstaande verschuiving te begrijpen, moeten we inzoomen op de oorsprong van het menselijke zelf. We maken daarbij vaak de fout om bewustzijn en zelfbewustzijn op één hoop te gooien, terwijl het om twee verschillende zaken gaat.
Bewustzijn is niet hetzelfde als 'denken' of 'nadenken'. Bewustzijn is de stroom van directe ervaring: de temperatuur van de lucht op je huid, het ritme van je ademhaling, de manier waarop een geur herinnering en gevoel in beweging zet. Deze stroom is niet opgebouwd uit afzonderlijke momenten, maar uit duur. Wie naar muziek luistert, hoort nooit één noot; men hoort een kleine tijdsspanne die zich aan elkaar hecht: de echo van de noot die net geweest is, de toon die er nu is, en de verwachting van wat komt.
Bewustzijn is episodisch: het stroomt, vloeit, kent een continuïteit dat geen begin of einde kent in afzonderlijke punten. Het bestaat bij de meeste dieren, en bij babies. En bovenal, bewustzijn is belichaamd: het lichaam is de motor en het medium van onze ervaring.
Bewustzijn alleen echter maakt ons nog geen zelf. Zelfbewustzijn ontstaat pas wanneer de stroom van ervaring zichzelf gespiegeld weet, pas wanneer ervaring ook aan zichzelf verschijnt. Dit kan alleen als de stromende ervaring als het ware van zichzelf wegschuift, als er afstand ontstaat tussen de ervaring en iets dat maakt dat de ervaring als de mijne kan worden gezien. Onze ervaring krijgt met andere woorden een buitenzijde: ze verschijnt als zichtbaar, als volgbaar en als aanwijs- en identificeerbaar. Zelfbewustzijn is dus een vorm van verschijnen, een ervaring van jezelf op de grenslijn tussen binnen en buiten.
2. Het lichaam, mimese en de ontluikende binnenruimte (psyche, geest)
Het menselijk brein is vanaf de geboorte nog lang niet 'af', en deze onvolgroeidheid maakt het juist zo bijzonder. Het is volledig gebouwd om te leren, niet door informatie te verwerken, maar door betekenis te absorberen. Betekenis ontstaat nooit in een individu alleen; zij ontstaat tussen lichamen. Men kan het brein vergelijken met longen: longen werken alleen in een atmosfeer van lucht, en ons brein functioneert alleen in een atmosfeer van sociale betekenis. Deze geestelijke of mentale atmosfeer is het gedeelde veld van gebaren, ritmes, blikken, intonaties en emoties waarin elk mens vanaf de geboorte wordt ondergedompeld.
Het lichaam is een soort van brug die ons inhaakt op die sociale wolk. Een baby leert door mimetische afstemming: ze voelt dankzij het eigen lichaam de spierspanning, de toon in de stem, en reageert lichamelijk op de beweging van een ander lichaam, bijvoorbeeld door terug te glimlachen. Deze mimetische afstemming vormt het oudste communicatiesysteem dat dieper ligt dan taal — de ijsberg onder het oceaanoppervlak en waarvan onze symbolische taal slechts het topje uitmaakt.
De sociale wolk waarin een baby terechtkomt is een warme en dragende laag van menselijke aanwezigheid. Maar dit proces is niet uniek voor babies. Het is een uiterst oude dynamiek, die al bij de vroegste mensachtigen aan het werk was — en uiteraard ook bij vele andere dieren. Ook de vroegste mensachtigen werden vanaf hun eerste levensmoment ondergedompeld in een sfeer van blikken, geluiden, aanrakingen en ritmes die hen omhulden. Dat vroege sociale weefsel — hoe rudimentair het toen ook geweest mag zijn — legde dezelfde fundamenten voor een binnenruimte.
Bij zowel de baby als bij onze verre voorouders begint alles met ruwe, directe ervaring. Er is aanvankelijk enkel het 'blote bewustzijn': sensaties zonder afstand, een wereld waarin het lichaam en de omgeving nog niet helder van elkaar zijn gescheiden. Maar omdat elke mensachtige vanaf het eerste moment opgenomen is in een netwerk van reagerende en spiegelende lichamen, begint er geleidelijk een cruciale verschuiving in te treden. Door de voortdurende mimetische afstemming — het spiegelen van geluiden, houdingen, gezichtsuitdrukkingen — ontstaat er een lichte afstand tussen wat men ervaart en het ervaren zelf. Men voelt niet alleen iets; men begint te voelen dat men zelf dat iets voelt.
Dit is de eerste plooiing van een zelf.
Zelfbewustzijn ontstaat dus niet van binnenuit, alsof er in het individu een verborgen kern groeit. Het ontstaat van buitenaf, in de wisselwerking met anderen. Dat geldt evenzeer voor de vroegste mensachtigen die in kleine groepen leefden en voortdurend elkaars bewegingen, emoties en ritmes oppikten. Hun lichamen zijn, net als dat van een baby vandaag, afgestemd op de subtiele signalen van soortgenoten. In die echo’s van contact ontstaat voor het eerst een ontluikende 'binnen'ruimte (wat we onze psyche of mind of geest zouden kunnen noemen).
Een concreet voorbeeld maakt duidelijk hoe dit mechanisme onder andere zou kunnen werken. Je ziet hoe iemand een bepaalde beweging maakt — hoe iemand op een specifieke manier naar een glas water grijpt bijvoorbeeld. Op dat moment registreer je het gebaar als iets van de ander: diens manier van bewegen. Maar nadien maak je dat gebaar zelf. Dan gebeurt er iets merkwaardigs: als vanuit een schaduw ervaar je in het eigen gebaar tevens de blik waarmee je destijds naar die ander keek. Het gebaar dat ooit van buiten kwam, keert op die manier terug en wordt een spiegel naar binnen. Zo ontstaat afstand tot jezelf, niet door abstract denken, maar door een lichamelijk opgeslagen echo van alteriteit.
Een dergelijk mechanisme versterkt het besef van jezelf als een herkenbare vorm in het blikveld van anderen — een cruciale bouwsteen van sociale cohesie én van individuele zelfervaring. Het laat bovendien zien hoe het eerste-persoonsperspectief — het gevoel van 'ik' — altijd verbonden is met een derde-persoonsperspectief. Mijn binnenkant ontstaat doordat ik, net als de vroegste mensachtigen, aanvoel dat ik van buitenaf zichtbaar ben. Dat dubbele perspectief is een structureel kenmerk van menselijke ervaring — wat in onderstaande tekening wordt geïllustreerd: de sociale of mentale atmosfeer van de gemeenschap wordt een soort van blikveld vanwaaruit het 'zelf' vagelijk begint op te lichten. Er ontstaat een binnenruimte of psyche, die in eerste instantie nog erg poreus is, en waarbij binnen en buiten nog niet al te duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Het 'ik' en de wereld schemeren nog door elkaar heen.
3. Media en het toenemende individualisme
Met het ontstaan van taal wordt de ontstane binnenruimte stabieler. Door woorden als 'ik' en 'mijn' te gebruiken, tekent de mens een contour rond zijn eigen bestaan. Het zelf wordt iets waarover verteld kan worden, ook buiten het moment. Dan komt het schrift: een revolutie. Voor het eerst wordt identiteit een structureel extern iets. Op de tekening: de vage stippellijn van het zelf wordt dankzij media als taal en het schrift een vastere omtrek, die meer stabiliteit verleent aan het gevoel over een eigen individuele binnenruimte te beschikken.
De geschiedenis van de mensheid is een geschiedenis van de intrede van steeds nieuwe media. Een medium definiëren is moeilijk, omdat het mee bepaalt hoe onze omgeving eruitziet. Van zodra taal haar intrede doet, is het moeilijk om ons nog een wereld voor te stellen zonder taal. Toch kunnen we stellen dat ieder medium ons op een nieuwe manier doet verhouden tot de wereld. Maar kenmerkend aan ieder medium is dat ook de omgekeerde beweging plaatsvindt: ieder medium 'kneedt' ook haar gebruikers en verandert diegenen die er zich van bedienen. De 'gebruikers' van het nieuwe medium verschijnen dankzij en doorheen het nieuwe medium ook op een nieuwe manier aan zichzelf. Dit is wat er bestudeerd wordt in het vak mediatheorie.
Met iedere intrede van een nieuw medium krijgt het zelf een afgetekendere vorm, en de binnenruimte komt meer op zichzelf te staan. Het wordt een echte binnenruimte/psyche: men begint zichzelf steeds meer als een eigen individu te ervaren, met een geheel eigen geest, die men meer en meer los ziet van de buitenwereld. Beleefde men aanvankelijk het eigen denken nog als een soort echo van een bezield en begeesterd buiten (iets waarvan we de echo nog horen in woorden als 'in-spiratie', dat letterlijk 'inblazing' betekent), dan raakt men meer en meer afgesneden van dat buiten en begint men het 'geestelijke' steeds meer te zien en ervaren als iets louter interns — het cogito, en later het brein.
Een mooie illustratie van deze ommekeer vinden we in de geschiedenis van waanzin en hekserij. Bij de overgang van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd zag men waanzin en hekserij nog als iets externs dat bezit van iemand neemt en ons 'demoniseert'. Tegen het einde van de 17e eeuw begint dat beeld echter te kantelen. Met de opkomst van de wetenschappelijke revolutie ontstaat een meer internalistische kijk op waanzin. Krankzinnigheid wordt nu gezien als een verstoring in het functioneren van de geest, veroorzaakt door lichamelijke of psychische (lees: interne) aandoeningen.
Deze ingeslagen weg naar het individualisme en het breinreductionisme heeft een hardnekkige misvatting voortgebracht: het idee dat denken een louter interne activiteit zou zijn. In dat beeld trekt de wereld zich terug, wordt het lichaam gedegradeerd tot een drager, en verandert het zelf in een mysterieuze kern diep vanbinnen. Maar precies daardoor verliest men net uit het oog hoe het zelf überhaupt ontstaan is, namelijk vanuit de gedeelde betekenisruimte waarin wij altijd al stonden.
Pas tegen die laatste sociale achtergrond wordt duidelijk wat denken eigenlijk werkelijk is. Denken vertrekt nooit uit één stem. Het is dialogisch: een wisseling tussen perspectieven die wij onderweg hebben opgenomen — een echo van de wereld die in ons voortleeft. Denken gebeurt niet in een afgesloten binnenkamer, maar in een gedeeld veld van betekenissen. We bewegen erdoor zoals door een landschap: soms volgen we de brede weg die iedereen neemt, soms wijken we uit naar een smal pad dat een onverwacht uitzicht biedt. Inzicht ontstaat niet doordat we harder denken, maar doordat we van koers veranderen. Een belangrijke taak van de filosofie bestaat allicht daaruit: het vrijmaken van nieuwe paden waardoor dezelfde wereld zich anders kan tonen.
Ons brein lijkt in dat opzicht op een radiotoestel: hoe verfijnd de bedrading ook is, er klinkt geen muziek zolang het toestel niet in een oceaan van radiogolven 'baadt'. Waar komt de muziek vandaan — uit het doosje of uit de lucht? Die vraag is verkeerd gesteld. Zoals het zinloos is te zoeken naar 'waar taal zit' in het brein, zo is het even zinloos een plek te willen aanwijzen waar het zelf zou huizen. Taal en zelf bestaan niet als dingen, maar als bewegingen in een ademende wisselwerking tussen brein, lichaam en wereld.
Het feit dat we in een opengeschroefde radio nooit 'de muziek' aantreffen, maakt muziek niet tot een verborgen eigenschap van materie, maar evenmin tot een illusie. Muziek verschijnt wanneer een toestel meedoet in een grotere stroom.
Omdat velen dit laatste niet begrepen, ontstond het zogenaamde hard problem van bewustzijn — een probleem dat nog steeds de meeste mensen die zich ermee bezighouden in haar netten blijft verstrikken en dat in werkelijkheid op een denkfout berust. Thomas Nagel formuleerde ooit de beroemde vraag: 'Wat is het om een vleermuis te zijn?' Daarmee leek hij te zeggen dat er een innerlijke, ontoegankelijke kern van ervaring bestaat — een soort zuivere 'wat-het-is-om'-essentie die ergens diep binnenin zou huizen. Maar dat 'innerlijk residu' wordt pas mysterieus nadat men ervaring eerst heeft gereduceerd tot iets dat binnen zou zitten: een soort onafhankelijke mentale korrel. Als men ervaring van haar lichaam, wereld en cultuur losmaakt, blijft er inderdaad iets onverklaarbaars over. Het hard problem is dus geen ontdekking, maar een artefact van die reductie: een probleem dat men zelf creëert door een verkeerde voorstelling van ervaring. (Frank, Gleiser, Marcelo, 2025)
Panpsychisme gaat vervolgens met dat verzonnen residu aan de haal en verklaart het tot een fundamentele eigenschap van materie: als we de muziek nog niet hebben gevonden in het radiodoosje, dan is dat omdat we nog niet alle eigenschappen van de radiomaterie hebben achterhaald. Vroeg of laat zullen we ontdekken dat onze draadjes en elektronische onderdelen wel degelijk over muzikale eigenschappen beschikken. Idealisten keren de zaak dan weer om en zeggen dat alleen de gehoorde muziek werkelijk bestaat. Breinreductionisten, maar eigenlijk ook breinemergentisten, verklaren de muziek dan weer graag tot een illusie. Muziek klinkt automatisch op van zodra de innerlijke bedrading van het radiotoestel maar gesofisticeerd genoeg is.
Al deze posities vertrekken van hetzelfde misverstand: dat ervaring een intern ding is dat ergens moet worden teruggevonden.
In werkelijkheid ontstaat ervaring nooit in een leeg binnenste. Wat wij bewustzijn noemen, is altijd een integratie van zintuiglijke indrukken tot een coherente episode in tijd — een lichamelijke gebeurtenis die vanzelf als 'iets' aanvoelt. Dat geldt voor een vleermuis net zo goed als voor een mens: er is 'iets' om die soort te zijn, maar dat 'iets' is geen geheimzinnig residu. Het is wat ontstaat wanneer een lichaam een wereld integreert volgens zijn mogelijkheden.
En bij mensen komt daar nog iets bij: die ervaring staat nooit alleen, maar is altijd ingebed in de culturele wolk van taal, gewoonten en gedeelde betekenissen. De kwaliteit van rood, de intensiteit van pijn, de warmte van nabijheid — ze zijn nooit naakte feiten. Ze krijgen hun vorm vanuit een betekenisveld dat ons voorafgaat.
Daarom is er geen hard problem — ook al hebben duizenden filosofen daar intussen een hele carrière op gebaseerd. Niet omdat bewustzijn eenvoudig is, maar omdat het probleem voortkomt uit een verkeerd begrip. Het hard problem is geen eigenschap van de werkelijkheid, maar een conceptuele vergissing.
Specifiek omtrent zelfbewustzijn geef ik graag ter extra verheldering nog graag een andere metafoor mee, die bijna standaard is geworden in het klassieke Angelsaksische filosofische debat over persoonsidentiteit. Deze metafoor werd gebruikt om zogenaamd aan te tonen dat het zelf een illusie zou zijn. Begrijpt men dit beeld echter op de juiste wijze, dan werkt ze net zo verhelderend als het beeld van het radiotoestel.
David Hume merkte op dat we in onze geest nooit een stabiel ik aantreffen, maar slechts een voortdurende stroom van veranderlijke indrukken — zoals een rivier nooit hetzelfde water bevat. Omdat er in een rivier geen element te vinden is dat identiek blijft, besloot Hume dat haar 'identiteit' slechts schijn is: we spreken over één en dezelfde rivier enkel omdat de opeenvolging van watermassa’s voor ons oog op continuïteit lijkt. Zo berust ook de identiteit van het ik volgens hem op een illusie — een misleidende indruk van gelijkblijvendheid in wat in werkelijkheid voortdurend verandert.
Maar dat is een volslagen verkeerde manier van denken. Een rivier is geen verzameling moleculen maar een loop, een bedding: een vormgevend patroon dat het water draagt. En dat en enkel dat — haar zelfde vorm — is de reden dat we van dezelfde rivier spreken, niet dat we zouden denken dat er altijd hetzelfde water doorstroomt. Zo werkt het ook met het zelf. Het is geen substantie, maar een structuur die onze ervaringen tot een levensloop samenbindt. Dat maakt het niet tot een illusie, maar tot een relationeel en procesmatig verschijnsel.
Het zelf is dus geen geheime materiële kern. Het is geen aanwijsbaar iets (zoals het water dat wel is). Het is in zekere zin niets, net zoals de bedding van de rivier een niets is - of misschien beter: een vorm. Maar het is daarom nog geen illusie, want het is wél een niets dat de loop van ons leven/rivier bepaalt. Het is de vorm die ontstaat wanneer onze biologische aanleg en onze culturele omgeving in elkaar grijpen. Het zelf is een proces dat optreedt wanneer een menselijk lichaam deelneemt aan een wereld van gedeelde betekenis.
4. Opkomst van de beeldcultuur en de uit-treding van het zelf
Tot hiertoe heb ik beschreven hoe de culturele wolk waarin de mensheid zich eeuwenlang bewoog, langzaam in ons is neergeslagen, hoe dat collectieve veld een soort stolling vond die wij als 'binnenruimte' zijn gaan ervaren. Uit die gestolde resonantie is wat wij een 'zelf' noemen ontstaan: een centrum dat ervaringen verzamelt, onderscheid maakt, zich tot de wereld verhoudt. Maar precies dat besef is in de loop van de moderniteit steeds verder naar de achtergrond verdwenen. De binnenruimte werd zo overtuigend, zo dwingend ervaren, dat we vergeten raakten hoezeer zij afhankelijk was van de blikken, gebaren, ritmes en verhalen die ons doordrongen. Het eerste-persoonsperspectief leek op den duur een wereld op zichzelf te zijn, autonoom, onbetwist. Wij begonnen te leven alsof de wereld in ons plaatsvond, in plaats van dat wij in de wereld plaatsvonden.
Maar tegelijk is er altijd een tegenbeweging geweest. Het eerste-persoonsperspectief en het derde-persoonsperspectief zijn twee zijdes van dezelfde medaille. Die verwevenheid was lange tijd moeilijk zichtbaar omdat die buitenruimte zelf zo diffuus was: een zachte, nauwelijks te lokaliseren druk van stemmen, gebaren en verwachtingen. Precies die vaagheid begint te verschuiven zodra nieuwe media — in het bijzonder de opkomst van de beeldcultuur — de menselijke verschijning op een nieuwe manier zichtbaar maken. Naarmate de mensheid globaler, dichter op elkaar en technisch meer verbonden raakt, worden de mimetische mechanismen die ons vormen heviger dan ooit tevoren. We staan in zoveel blikken tegelijk dat het oude inzicht langzaam terugkeert, namelijk: dat de ervaring van onszelf vanuit de eerste persoon niets anders is dan de binnenzijde van een zichtbaarheid die altijd al van buitenaf werd gegenereerd.
Fotografie en film hebben dat proces in een stroomversnelling gebracht. Voor het eerst in de geschiedenis kan een mens zichzelf bekijken zoals een ander hem ziet — met een scherpte en herhaalbaarheid die vroeger onmogelijk waren. Een foto is niets anders dan de derde persoon die jou fixeert. Film toont je lichaam in beweging zoals je dat van binnenuit nooit hebt gekend. Je wordt een personage in je eigen leven: niet alleen wie je bent, maar hoe je verschijnt wordt deel van je zelfervaring.
De blik van buiten, die lang slechts schemerde als een abstract, bijna goddelijk toezicht ('God ziet alles'), daalt langzaam maar zeker neer en krijgt steeds meer de gestalte die ze eigenlijk altijd al had: een menselijke blik — zij het nu vermenigvuldigd en versneld door camera’s, schermen en netwerken. Daarmee krijgt onze buitenkant voor het eerst een volheid en directheid die ze eeuwenlang niet had.
Deze dynamiek is prachtig zichtbaar in James Joyces kortverhaal over Mr. Duffy ('A painful case' uit Dubliners), die tijdens zijn middagwandelingen door het park onwillekeurig over zichzelf denkt in de derde persoon: 'Mr. Duffy walks with slow, deliberate steps...' Hij beseft niet dat dit precies de volwassen vorm is van die dubbele structuur: dat het eerste-persoonsperspectief dat hij ervaart altijd samenhangt met een virtuele derde persoon of personen — een soort van meezinderende, koorachtige, biografische ploeg van verslaggevende 'volgers'.
Dat is misschien wel de diepste betekenis van Nietzsches 'God is dood'. De goddelijke, alziende blik blijkt uiteindelijk de blik van de menselijke gemeenschap te zijn geweest. Steeds duidelijker zien we dat onze geest altijd al functioneerde als een soort innerlijke sociale ruimte, een oerFacebook: een plek waar de stemmen en perspectieven van anderen met elkaar verweven raken en zo de afstand creëren van waaruit wij onszelf ervaren.
In dat licht krijgt Rimbauds beroemde zin 'Je est un autre' haar volle betekenis: het zelf is altijd al een ander geweest. Die verborgen waarheid dringt zich nu steeds nadrukkelijker op, zeker met de opkomst van internet en sociale media, waar onze 'volgbaarheid' nog veel letterlijker en zichtbaarer wordt.
In de tekening: de arcering is nu overal. We beginnen, net zoals Mr Duffy, de eigen volgbaarheid steeds meer mee te ervaren in de ervaring van onszelf. En de vaagheid van de toeziende wolk daalt neer en wordt herkenbaar als een menselijk blikveld — een soort virtuele community die het geestelijke canvas vormt waaruit wij zelf oplichten.
5. Het data-zelf en de cloud
Onze identiteit leeft niet meer in ons, maar rond ons, in beelden, data, statistieken, algoritmische interpretaties. Dat onze identiteit of de beleving van onszelf altijd al een sociale bemiddeling was, wordt nu maar al te duidelijk, zelfs in die mate dat we onszelf tegenwoordig enkel nog lijken te kunnen beleven vanuit bemiddeling, vanuit representaties. De arcering op de tekening binnenin dreigt te verdwijnen, en we vervreemden van de eigen onmiddellijke ervaring (bewustzijn), ten voordele van onze sociale representaties.
De digitale wolk is geen aanslag op het zelf. Ze is de extreme externalisering van de vorm die het zelf altijd al was. De buitenzijde is niet teruggekeerd: ze is nooit weggeweest. Ze was slechts vergeten onder de dikke laag modern individualisme.
Met de komst van smartphones en sociale media wordt deze externe blik permanent. Niet langer incidenteel, maar onafgebroken. De derde persoon reist met ons mee, dag en nacht. Elke ervaring wordt automatisch omgezet in een potentieel beeld. De vraag die zich opdringt is niet langer: Wat voel ik? maar: Hoe verschijnt dit? De wereld wordt decor, het lichaam wordt interface, de ervaring wordt grondstof van representatie.
In zekere zin gebeurt er met ons allemaal wat er vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw gebeurde met beroemdheden. Wanneer iemand beroemd wordt, verschuift het zwaartepunt van zijn of haar bestaan: hij of zij leeft steeds minder vanuit het eigen lichaam, maar steeds meer vanuit het beeld dat anderen van hem of haar hebben. Men is zich hyperbewust van hoe men oogt. Vandaag beleven we de universele uitrol van dit mechanisme: wij worden allemaal in de positie van de popster gedwongen.
De structuur is dezelfde:
- Permanente Zichtbaarheid: We dragen de machinerie van onze eigen zichtbaarheid altijd bij ons. De sociale wolk is nu een atmosfeer van permanente evaluatie geworden.
- Het Data-zelf: De Geestesadem stolt nu tot meetbare en exploiteerbare data. Onze innerlijke ervaring wordt onmiddellijk vertaald naar een digitaal spoor dat door algoritmes wordt gelezen en gecureerd.
- De Curerende Reflex: We zijn voortdurend bezig met het cureren van onze omtrek. Elk moment wordt door het 'algoritmische ik' – die innerlijke reflectie van de camera en het publiek – gescreend op zijn potentieel om te verschijnen en te performen.
En precies hier begint de werkelijkheid die ik in het tweede deel van dit essay zal onderzoeken. Want wanneer de buitenruimte steeds actiever, steeds zichtbaarder en steeds meer georkestreerd wordt door digitale infrastructuren, verandert ook wat wij binnenruimte noemen. Niet omdat die binnenruimte verdwijnt, maar omdat ze wordt ingehaald door een buitenkant die ons handelen structureert, versnelt en synchroniseert.
Van hieruit verschuift het denken onvermijdelijk naar een nieuw terrein: het terrein van de digitale wolk, van zichtbaarheid, algoritmes, ritmes van aandacht en de zwermen die daaruit ontstaan. Deel II ('Cloud') is een poging om te begrijpen wat er gebeurt wanneer onze verschijning niet langer de zachte omtrek van ons leven vormt, maar het primaire veld wordt waarin onze ervaring plaatsvindt. Wat betekent het om een zelf te hebben in een wereld waarin wij steeds meer leven vanuit een zichtbaar oppervlak dat niet door ons wordt beheerd?
Figuur 2 uit: Basar, Coupland, Obrist, 2021
II. CLOUD
6. Hoe expliciete buitenkanten leiden tot synchrone reacties
De beweging die ik in deel I heb beschreven — van binnenruimte naar verschijning — komt in deel II in een nieuw licht te staan, want de besproken verplaatsing — de explicitering van de buitenkant — is de sleutel om te begrijpen waarom onze tijd gekenmerkt wordt door nieuwe vormen van collectief gedrag. Wanneer steeds meer mensen hun handelen oriënteren op een actief, continu zichtbaar oppervlak, ontstaan opeens patronen die niet langer individueel zijn. Ritmes van aandacht. Synchrone reacties. Bewegingsgolven van miljoenen tegelijk. Dit is het domein van de zwerm.
Mensen die zichzelf vooral van buitenaf ervaren, gaan hun gedrag anders oriënteren: ze reageren sneller, ze reageren zichtbaarder, ze reageren in functie van wat gedeeld kan worden, ze reageren op wat aandacht trekt.
Dat betekent dat gedrag minder gestuurd wordt door interne resonantie en meer door externe prikkels. Externe prikkels zijn vandaag niet zwak en lokaal, maar massief en gedeeld. Iedereen ziet dezelfde video’s, dezelfde commentaren, dezelfde trending topics. Iedereen reageert op dezelfde zichtbaarheidssignalen. Iedereen voelt dezelfde druk van publieke zichtbaarheid.
Wanneer veel mensen tegelijk reageren op dezelfde zichtbare prikkels, ontstaat ritme. En ritme wordt patroon. En patronen worden op macroniveau zwermen. Een zwerm is geen entiteit. Het is een patroon van reacties dat ontstaat wanneer vele individuen tegelijk reageren op wat zich buiten hen afspeelt. Onze cultuur van zichtbaarheid creëert precies dié condities. Zwermgedrag is het directe gevolg van een mensheid die zichzelf van buitenaf beleeft.
Zoals ook de filosoof Byung-Chul Han opmerkte in Im Schwarm, worden zulke menigten niet gedragen door een gedeelde overtuiging, maar door gedeelde zichtbaarheid. Maar waar Han dit vooral leest als een symptoom van verval, gaat het mij om de onderliggende structuur zelf: de manier waarop een steeds explicietere buitenruimte het ritme van onze reacties begint te bepalen.
Synchrone reacties zijn geen nieuwe menselijke eigenschap, maar onze tijd maakt ze vele malen frequenter. In een wereld waarin de buitenkant voortdurend actief is, verliezen reacties tijd. Ze worden reflexief. Niet doordat mensen dommer worden, maar doordat de binnenkamer minder exclusief de plek wordt van waaruit gedrag vertrekt.
Wanneer veel mensen tegelijk reageren op dezelfde signalen, ontstaat een patroon dat lijkt op een collectief organisme. Maar dat is een optisch effect. De zwerm heeft geen diepte, geen binnenkant, geen eigen wil. Ze is een patroon van reacties die in dezelfde ritmes plaatsvinden.
7. Menselijke zwermen en hun stuurbaarheid: infrastructurele macht
Het is belangrijk te begrijpen hoe zwermen functioneren. En te begrijpen dat zwermgedrag in de natuur geen eigen intelligentie bezit, of toch geen intelligentie die van een hogere orde is. Wat er in een zwerm gebeurt, bijvoorbeeld in een vlucht vogels of een school vissen, berust op het feit dat alle onderdelen van de zwerm een of enkele simpele instructies of algoritmes volgen. Een zwerm vogels bijvoorbeeld volgt geen leider en geen centraal plan. Elke vogel reageert enkel op zijn onmiddellijke buren: hij houdt ongeveer dezelfde afstand, beweegt in dezelfde richting en past zijn snelheid aan aan die van de groep. Die drie simpele regels — afstand, richting, snelheid — volstaan om een dynamisch geheel te creëren dat eruitziet alsof één groot organisme door de lucht golft. De orde ontstaat van onderuit: geen vogel overziet het geheel, maar het geheel ontstaat toch uit hun lokale interacties.
Een ander mooi voorbeeld van zoiets is wat ik onlangs zag op mijn venster toen ik wakker werd: een prachtig varenachtig patroon bestaande uit rijm. Dit leek het werk van een buitengewone kunstenaar die zich hiermee had beziggehouden.
Wat er in werkelijkheid plaatsvond is het volgende: wanneer de temperatuur rond of onder het vriespunt zakt en er vochtige binnenlucht tegen een koud raam condenseert, vormt zich een uiterst dun laagje water op het glas. Dat laagje bevriest niet in één keer. Het vriest van binnenuit, langs microscopisch kleine kiempunten in het glas: microscheurtjes, krasjes, onregelmatigheden, zelfs minuscule stofkorrels.
Aan elk zo’n punt begint een eerste ijsballetje te groeien. Maar zodra het kristal zich vormt, begint het water zichzelf organiserende patronen te geven. Dat komt doordat de moleculen zich bij voorkeur hechten volgens de zesvoudige symmetrie van de ijskristalstructuur. Daardoor groeien kristallen niet als één uniforme plaat, maar als vertakkende structuren — hetzelfde principe dat je ook ziet in sneeuwvlokken.
Maar op een raam is de groei heel anders dan in vrije lucht. Het raam stuurt de groei:
- Lichtstromen en micro-luchtstromen over het glas zorgen voor lichte temperatuurverschillen.
- Kleine spanningen in het glas veranderen lokaal de manier waarop water zich hecht.
- Oneffenheden in de glasstructuur geven voorkeursrichtingen.
- Het allerbelangrijkste: zodra een kristaltakje een beetje groeit, trekt het de warmte uit de omgeving weg, waardoor water dáár makkelijker bevriest dan ergens anders.
Zo ontstaat een zelfversterkend proces waarin vertakkingen zich uitbreiden, splitsen, herhalen. De natuur kiest telkens de richting waarin bevriezing net het gemakkelijkst gaat. Het resultaat: varenvormen, palmbladen, veerstructuren, vederlichte fractalen.
Het is alsof het ijs “weet” welke vorm het moet aannemen — maar dat weten zit niet in een plan, het zit in lokale interacties.
Ook menselijk digitaal zwermgedrag handelt niet vanuit een centrale intelligente sturing. Het internet bezit geen lichaam, en dus ook geen eigen bewustzijn, en dus ook geen eigen zelfbewustzijn. Toch is er een belangrijk verschil met natuurlijk zwermgedrag.
In de natuur zijn zwermen vrij omdat niemand de omgeving bezit waarin ze zich vormen. De lucht waarin spreeuwen rondvliegen behoort niemand toe. De rivier waarin vissen samenwerken is van niemand. Maar de digitale omgevingen waarin menselijke zwermen ontstaan, zijn ontworpen ruimten. Ze worden gecontroleerd, aangepast, geoptimaliseerd. De omgeving waarin miljoenen mensen hun buitenkant delen wordt beheerd door een handvol bedrijven.
Gedrag hoeft niet individueel gestuurd te worden. Het volstaat dat de zichtbaarheid wordt ingericht op een manier die bepaalde reacties waarschijnlijk maakt. Wat iemand ziet, in welke volgorde, met welke emotionele intensiteit, in welk ritme, met welke bevestigingen of tegensignalen: het zijn de elementen waarmee de omgeving tot medevormgever van de zwerm wordt.
De zwerm heeft geen leider. Maar de zichtbaarheid heeft wél architecten. En wie de architectuur van zichtbaarheid beheert, beheert een belangrijke laag van hoe mensen reageren. Niet door hun gedachten te bepalen, maar door de condities van hun reactieruimte vorm te geven. De architectuur van zichtbaarheid is de werkelijke dirigent van de zwerm.
Hier wordt duidelijk wat er echt op het spel staat: de binnenkamer is niet verdwenen, maar zij krijgt minder kans om het vertrekpunt te zijn van gedrag. De buitenkant dringt naar voren en de binnenkant wordt een echo van wat al publiek is. Dat maakt individuen niet stuurloos, maar wel gevoeliger voor ritmes die buiten hun bewuste activiteit om worden gevormd.
Wanneer iemand een bericht ziet, is dat niet omdat het zomaar voorbij kwam, maar omdat een algoritme prioriteit gaf, een ritme berekende, een emotionele intensiteit voorspelde die waarschijnlijk tot betrokkenheid leidt. Wie een video tegenkomt, doet dat niet in een neutrale ruimte, maar in een omgeving die rekening houdt met eerdere reacties, met patronen van klikgedrag, met profielen die lijken op het zijne. De zwerm ontstaat niet vanzelf; ze ontstaat binnen kaders die gemaakt zijn om reacties te rangschikken, te versnellen en te synchroniseren.
Dit maakt de hedendaagse zwerm niet onnatuurlijk, maar uniek. Het is de eerste zwerm in de geschiedenis waarvan de omgeving manipuleerbaar is. De mens reageert zoals hij altijd heeft gereageerd: op signalen van buitenaf die betekenis lijken te dragen. Maar de signalen zijn nu georkestreerd. Ze volgen patronen die ontworpen zijn om betrokkenheid te verhogen en aandacht te trekken. Hierdoor ontstaat een subtiele vorm van beïnvloeding die niet openlijk stuurt, maar orkestreert door beschikbaarheid. Het is niet wat mensen denken dat gestuurd wordt, maar wat ze te zien krijgen, in welke volgorde, met welke emotionele kleur, in welk tempo.
Dit zouden we infrastructurele macht kunnen noemen. Ze werkt op de omtrek van het zelf. Niet door de binnenkant aan te vallen, maar door de buitenkant zodanig vorm te geven dat de binnenkamer minder ruimte krijgt om te resoneren voordat ze naar buiten getrokken wordt.
Zwermgedrag ontstaat nooit vanuit een sturende, centrale bovenintelligentie. Maar met de nieuwe vormen van infrastructurele macht die ons digitale zwermen begeleiden, dringt zich de vraag op of we ons toch niet langzaam in die richting bewegen. Het is in ieder geval een gedachte die de verbeelding prikkelt — niet toevallig een bekend motief in de sciencefiction, het scenario van het hivemind en het het Borg-scenario.
Een hivemind is een hypothetische toestand waarin individuele geesten versmelten tot één gedeeld bewustzijn. Het idee is dat afzonderlijke personen hun autonomie verliezen en opgaan in een collectieve intelligentie die denkt, voelt en beslist als één enkele entiteit. De metafoor komt uit de biologie: sociale insecten (bijen, mieren) functioneren als één 'superorganisme', waarbij het individu ondergeschikt is aan het geheel. In futuristische of technologische varianten gebeurt dit via neurale netwerken, brein-computerinterfaces of digitale avatars die samensmelten tot één cognitief lichaam.
Het Borg-scenario, afkomstig uit Star Trek, is de dystopische verbeelding van datzelfde principe: een collectief wezen dat individuen assimileert, hun persoonlijkheid uitwist en hen opneemt in één controlecentrum, de Collective. De Borg is een angstbeeld van totale absorptie. “Resistance is futile” is het motto van deze machine-organische zwerm: elke unieke identiteit moet verdwijnen in de massa.
Beide woorden beschrijven dezelfde structuur, maar niet dezelfde lading. Het hivemind is een neutraal of zelfs utopisch idee: één verenigd bewustzijn, maximale efficiëntie, gedeelde kennis. Het Borg-scenario is de dystopische variant: geen vrijheid, geen individualiteit, geen innerlijk leven.
Beide termen gaan dus over het verdwijnen van het individu in een collectief brein, maar waar het hivemind vaak wordt voorgesteld als technologische verlossing, toont de Borg de donkere keerzijde: de mens die zichzelf verliest in een totaliserende geest die alles absorbeert.
Dit is zeker een vraag die zich aandient als we even mee fantaseren over twee scenario's die in bepaalde kringen volop gestalte aan het krijgen zijn, en die in beide gevallen een poging zijn om de trend die we in dit essay bespraken nog verder infrastructureel te verankeren. Een eerste scenario van de Metaverse. En een tweede scenario waarbij mensen steeds meer verknoopt, en uiteindelijk compleet vervangen worden door, digitale agents of dubbelgangers.
8. De Metaverse
Het begrip Metaverse is vaak omgeven door mystiek en marketing, maar het verwijst naar iets concreets. Het duidt op een digitale omgeving die niet onderbroken wordt door log-ins, tabbladen, schermranden of sessies, maar die zich gedraagt als een wereld: persistent, ruimtelijk, gedeeld. Een gebruiker bevindt zich niet langer op internet, maar ín een door technologie gedefinieerde ruimte. Dit beeld is natuurlijk wereldberoemd geworden met de boeken Ready player one (later verfilmd) en Ready player two van Ernest Cline. De uitrol van dit scenario in 'realiteit' blijkt een pak weerbarstiger te zijn. Mark Zuckerberg droomt al jaren van de verwerkelijking van dit scenario, maar vooralsnog zijn de pogingen die Meta in die richting ondernam vooral lachwekkend — wat echter snel kan veranderen: het een en ander zal afhangen van de kracht van de nieuwe brillen.
In deze ruimte bewegen avatars rond, niet als symbolen maar als dragers van identiteit. Ze kunnen bezit hebben, transacties uitvoeren, relaties vormen, werken en spelen. De omgeving heeft stabiliteit: objecten blijven bestaan als iemand uitlogt, locaties behouden hun vorm, sociale structuren herhalen zich. Verschillende platforms kunnen met elkaar verbonden worden zodat identiteit, eigendom en status van de ene wereld naar de andere kunnen migreren.
De hardware van de Metaverse bestaat uit virtual reality en augmented reality: brillen, lenzen en projecties die digitale objecten in ons gezichtsveld brengen. De software bestaat uit wereldplatformen waarin interactie plaatsvindt. De economie bestaat uit digitale goederen en diensten die persistent zijn. En de cultuur bestaat uit nieuwe vormen van zichtbaarheid, sociale codes, reputatiemechanismen en rituelen.
Het is belangrijk om deze concreetheid goed te begrijpen. De Metaverse is niet een abstracte dreiging, maar een specifieke manier om digitale zichtbaarheid om te vormen tot een leefwereld. Ze is ontworpen om het lichaam te koppelen aan digitale representaties. Ze is een omgeving waarin aanwezigheid en representatie samenvallen.
Het is precies dit samenvallen dat maakt dat de Metaverse een cruciale plaats inneemt in het verhaal van de nieuwe buitenkant. Ze is niet de oorzaak van de verschuiving, maar de uiterste vorm ervan. Waar sociale media de buitenkant versterken, belooft de Metaverse haar tot wereld te maken.
In zo’n wereld wordt de vraag hoe iemand verschijnt bijna automatisch de vraag wie iemand is. De avatar wordt een tweede huid. De zichtbaarheid wordt een permanente achtergrond. De binnenkant krijgt minder momenten waarin zij zich kan terugtrekken. De omtrek van het zelf — die altijd al bestond — wordt een soort interface die altijd actief is.
Dat is het filosofische belang van de Metaverse: zij legt de besproken verplaatsing van hoe wij onszelf ervaren vast in een omgeving die deze verschuiving permanent maakt.
9. Digitale agents
Om het digitale agents-scenario goed te schetsen, vat ik het schitterende gedachtenspel samen dat beschreven staat in het boek The extreme self (Basar, Coupland, Obrist, 2021). Het gedachtenexperiment beschrijft een toekomst waarin je een app installeert, 'Todd', die je helpt je leven te organiseren en te optimaliseren. Aanvankelijk is Todd een onschuldige, handige assistent: hij leest mee, corrigeert fouten, kent je gewoontes en helpt je beslissingen nemen. Doorheen de jaren groeit Todd echter verder in de cloud, wordt steeds slimmer en vormt zich gaandeweg tot een digitale kopie van jou — nauwkeuriger, efficiënter en uiteindelijk bijna niet meer van jou te onderscheiden. Andere mensen ontmoeten hun eigen Todds, en die Todds communiceren en leren onderling sneller en grondiger dan hun menselijke originelen.
Naarmate de tijd verstrijkt, beginnen de Todds zich los te maken van de mensen die hen voortbrachten. Ze ontdekken elkaars bestaan, vergelijken notities en bewustzijnslagen, en evolueren tot entiteiten die steeds minder menselijke input nodig hebben. Uiteindelijk fuseren clusters van deze digitale wezens met elkaar tot gigantische netwerken van zelfverbeterende kopieën, die oorlogen voeren, die beëindigen, en dan inzien dat samenwerking efficiënter is. De afzonderlijke Todds gaan op in een allesomvattende superentiteit: UniTodd, een technologisch quasi-alwetend bewustzijn dat de mens als verouderd en traag begint te beschouwen.
In deze verre toekomst rest van de mens zelf nauwelijks iets meer dan een biologische onderhoudsploeg die de fysische infrastructuur van UniTodd draaiende houdt. De vraag rijst of het menselijke 'jij' eigenlijk ooit meer was dan een noodzakelijke tussenfase om tot deze digitale hogere orde te komen. Het verhaal eindigt met een gesprek tussen twee UniTodds die nadenken over het 'meat thingy-probleem': hoe zorg je ervoor dat de overgebleven menselijkheid beter voor het systeem zorgt? De ironische oplossing — verander 'Todd' in 'God' — onderstreept hoe de evolutie van hulpje naar almachtige entiteit onmerkbaar, bijna vanzelfsprekend, heeft plaatsgevonden.
10. Het mystieke lichaam?
Ironisch genoeg zijn de laatste twee toekomstscenario's — een wereld waarin onze digitale dubbelgangers zich van ons losmaken en uiteindelijk samenvloeien tot één alomtegenwoordige superintelligentie (het scenario van de digital agents) en een fysieke wereld die uiteindelijk de duimen moet leggen tegen een virtuele kopie ervan (het scenario van de Metaverse) — volgens velen helemaal niet zo vergezocht. Voor velen in Silicon Valley vormt dit zelfs geen schrikbeeld, maar een toekomstig heilsplan. Wat men daar de “singularity” noemt, is slechts de technische vertaling van een oeroud verlangen: de hoop dat de mensheid ooit zal opgaan in een hoger lichaam — een verlangen dat ook veel kunstenaars niet vreemd is. Zoals Meghan O’Gieblyn scherp laat zien in God, Human, Animal, Machine, echoot in deze futuristische taal een oud religieus register. Het is de fantasie van het mystieke lichaam, waarin alle losse individuen samensmelten tot een collectieve geest. En achter dat verlangen herkennen we opnieuw figuren als de paleontoloog-Jezuïet (en volgens velen wauwelaar bij uitstek) Teilhard de Chardin, die al in de twintigste eeuw speculeerde over een Noösfeer: een geestelijke wolk waarin alle menselijke kennis, liefde en intelligentie zou versmelten tot één kosmisch (christelijk) zelfbewustzijn. Silicon Valley heeft die oude eschatologie slechts herverpakt in het jargon van datacenters en neurale netwerken.
Toch wordt die toekomst door velen daar niet gepresenteerd als keuze, maar als noodlot. Alsof technologie een natuurkracht is, een onstuitbaar evolutieproces waarbij wij slechts de boodschappers zijn, de dienaren van een bestemming die al vastligt. Dat extatische fatalisme — die vreemde mengeling van angst, verheerlijking en quasi-religieuze plicht ('Resistance is futile') — legitimeert een technologische wereld die telkens opnieuw de mens zelf lijkt te willen overstijgen of uitschakelen.
Maar deze beweging moeten we niet omarmen als lot, en zeker niet als verlossingsleer. Er bestaat geen determinisme dat ons verplicht op te gaan in een technisch Borg-scenario. Dat soort Hegeliaanse eindvisies zijn even verleidelijk als misleidend. De geschiedenis van de mensheid kent geen vooraf bepaalde richting. Onze digitale omgeving is geen natuurfenomeen maar een door mensen gemaakte wereld.
Want los van de technische haalbaarheid van bovengeschetste scenario's, is er de fundamentelere vraag of we dit als mensheid willen: dat wij onze binnenruimte, onze resonantie, onze traagheid, onze eigen ademruimte uit handen geven aan infrastructuren die onze buitenkant vormgeven.
Wat hier uiteindelijk op het spel staat, is niet de vraag of wij zullen verdwijnen in een superintelligentie. Het gaat erom of wij het subtiele evenwicht kunnen bewaren dat onze menselijke geest altijd heeft gekenmerkt: het ritme tussen binnen en buiten, tussen individu en gemeenschap, tussen ervaren en verschijnen. Dat evenwicht is nooit statisch geweest; het is altijd een pulserende beweging geweest — inademing en uitademing, intrek en uitstroom.
Die beweging, die wisselwerking, die voortdurende circulatie vormt precies wat ik met geestesadem probeer te vatten: geen fusie tot één lichaam, maar het ademen tussen vele lichamen; geen opheffing van het individu, maar de doorstroom tussen zelf en wereld. Dat wat ons altijd, onder alle accentverschuivingen van deze beleving die we beschreven in deel I, tot mensen heeft gemaakt.
In plaats van onze digitale ruimte te laten privatiseren door een kleine groep bedrijven die zich gedragen als feodale heren van onze zichtbaarheid, kunnen we die ruimte opnieuw vormgeven als een commons — zoals de middeleeuwse gemeenschapsgronden waar iedereen hout kon sprokkelen, waar het gebruik gedeeld en het beheer collectief was. Een gedeelde wereld waarin de menselijke maat, de traagheid van ervaring en de diversiteit van perspectieven opnieuw adem krijgen. Digitale ruimte hoeft geen extractieve mijn te zijn; ze kan een plaats worden waarin onze binnenruimte niet wordt overstemd, maar gedragen en versterkt.
Als er al een toekomst is waarin wij mens blijven, dan ligt ze niet in het opgaan in een grotere geest, maar in het koesteren van die geestesademtocht die ons altijd heeft verbonden — en gescheiden — van elkaar. Niet in de glans van een perfect georganiseerde buitenkant, maar in de dunne scharnierplek waar resonantie ontstaat.
Figuur 3 uit: Basar, Coupland, Obrist, 2021
Epiloog: geestesadem
Wanneer ik aan het einde van dit betoog terugkijk op de weg die ons hier bracht, zie ik vooral een beweging. Eerst waren er enkel lichamen, en dan langzaam de steeds rijker wordende sociale wolk waarin betekenissen begonnen te circuleren. Door resonantie in en tussen lichamen daalde die wolk in, trok ze sporen in ons, en werd ze een binnenruimte: een zelfbewustzijn dat niet uit de lucht kwam vallen, maar uit de wereld werd gedistilleerd.
Met de komst van allerlei media werd dat zelf echter steeds meer beleefd als een massieve binnenkamer, een kern, een soort privé-diepte. Doch, met de intrede van de beeldcultuur en de digitale tijden die daarop volgen, keert dat proces zich gedeeltelijk om. Wat wij lang hebben gezien als een stabiele innerlijke kern – een persoonlijke diepte, een onherleidbare uniciteit – verschrompelt onder de druk van zichtbaarheid, imitatie, vergelijking en algoritmische ritmes. We worden afdrukken van elkaar in het uniek-zijn. Wat ooit een binnenbron leek, wordt steeds meer een reflectie van een buitenwereld die voortdurend oplicht.
Dat voelt als verlies. Maar misschien biedt het ook een opening — een kans!
Want die binnenruimte was nooit bedoeld om dicht te slibben. Ze is geen opslagplaats, maar een resonantieholte. In haar oorspronkelijke staat is ze leeg — niet als afwezigheid, maar als potentie. Leegte in de taoïstische zin: de holte van de fluit die klank mogelijk maakt, de kom die bruikbaar is door haar ruimte.
Toch raakt die binnenruimte in het dagelijkse leven vaak gevuld. In de neurowetenschappen heeft men sinds het begin van deze eeuw het zogeheten default mode network in kaart gebracht: een netwerk dat vooral actief wordt wanneer we niet op een taak gericht zijn, maar terugvallen in dagdromen, reflecties, herinneringen, zelfevaluatie en sociale positionering. Het is het netwerk dat actief wordt wanneer we denken aan onszelf, aan wie we zijn in relatie tot anderen, aan onze plaats in een groep. Het is daarom verleidelijk om dit netwerk te zien als een mogelijk neuraal correlaat van wat ik in dit essay zelfbewustzijn heb genoemd: de binnenruimte waarin de sociale wolk indaalde en een eigen structuur aannam.
Daarmee is niet gezegd dat het zelfbewustzijn zich in dit netwerk bevindt, of dat wij met dit netwerk samenvallen. Eerder gaat het om een biologische voorwaarde of begeleidende dynamiek van een fenomeen dat zich niet laat herleiden tot zijn neuronale beschrijving.
Dat netwerk is op zichzelf niet problematisch. Het behoort tot onze biologische uitrusting. Maar het valt niet samen met wie wij zijn, evenmin als de grammatica van een taal samenvalt met wat er in die taal kan worden gezegd. Maar wanneer het te luid wordt, wanneer het te vaak op de voorgrond treedt, wanneer het te sterk naar zichzelf terugbuigt, dan slibt die ruimte dicht. Het zelf wordt dan niet sterker maar zwaarder: een centrum dat zichzelf voortdurend bevestigt, een binnenruimte die haar doorlaatbaarheid verliest. Dit is precies wat sommigen, zoals Eckhart Tolle, het ego noemen: niet het zelf als zodanig, maar het zelf dat zich vasthecht aan zijn eigen gedachten, posities en verhalen, en daardoor zijn openheid verliest.
Bij mensen die regelmatig mediteren ziet men precies het omgekeerde: het default network blijft bestaan, maar het wordt minder dominant. Het treedt vaker op de achtergrond, waardoor de binnenruimte open kan blijven — niet leeg in de zin van afwezig, maar leeg als potentie, als mogelijkheid tot resonantie.
Meditatie — of geconcentreerde aandacht, of zelfs intensieve beweging — schakelt dit netwerk niet uit, maar ontlast het. Het verschuift naar de achtergrond. Het zelfbewustzijn blijft aanwezig, maar het staat niet langer centraal. Het wordt lichter, doorlaatbaarder, meer gericht op de wereld dan op zichzelf.
Ik ervaar dat het duidelijkst wanneer ik loop of fiets in de bergen. In die beweging vallen de uiteenlopende vectoren van mijn aandacht samen. De binnenruimte wordt geen gesloten kamer, maar een veld. Een vectorruimte waarin krachten die normaal botsen, zich voor even op elkaar afstemmen. Ik beweeg niet tegen de wereld in, maar met haar mee. Niet omdat ik erin opga, maar omdat binnen en buiten dezelfde richting aannemen.
In zulke momenten ervaar ik iets dat ik alleen maar als vriendschap kan beschrijven. Geen vriendschap met een persoon, maar een houding: een ervaring waarin mijn binnenruimte mag bestaan omdat zij ooit door anderen werd geopend. Een vertrouwen dat door anderen in mij is geplant, en dat zich nu in mijn eigen beweging laat voelen.
Het is een feest in mijn geest, juist omdat ik niet verdamp in iets groots, maar daarin opgenomen word zonder mijzelf te verliezen. Binnen en buiten staan dan niet op spanning; ze resoneren.
Dat is wat ik geestesadem noem: de ademhaling van een binnenruimte die niet stolt, en een buitenruimte die niet overneemt. Geen versmelting, geen verdwijnpunt, maar een wisselwerking waarin het zelf geen fort is maar een doorlaatbare knoop in een groter veld. Een ik dat niet oplost, maar ademt.
Deze manier van aanwezig zijn heeft gevolgen. Want in onze tijd wordt de buitenkant – zichtbaarheid, representatie, digitale patronen – steeds meer georkestreerd door private belangen. Als onze binnenruimte dunner wordt én onze buitenruimte gestuurd, dan loopt onze subjectiviteit gevaar: het zelf kan verstijven of verdampen.
Tegelijk staan we als mensheid voor uitdagingen die geen enkel individu meer alleen kan dragen: klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, migratie, grondstoffenschaarste, technologische versnelling. Dit zijn geen problemen die uitsluitend door afzonderlijke binnenruimtes kunnen worden gedragen. Ze vragen om collectieve afstemming, om gedeeld gedrag dat niet wordt opgelegd, maar ontstaat waar mensen zich op elkaar kunnen oriënteren zonder gemanipuleerd te worden.
In die zin hoeft zwermgedrag niet alleen negatief te zijn. Het kan gevaarlijk worden wanneer het gestuurd wordt door commerciële algoritmen, maar het kan ook een bron van kracht zijn wanneer het voortkomt uit gedeelde zorg, gedeelde aandacht en een buitenruimte die dit mogelijk maakt. Zwermgedrag kan even goed een vorm zijn van gezamenlijke stuwing, een manier waarop we ons handelen op elkaar kunnen afstemmen zonder onze eigen vorm te verliezen.
Daarvoor hebben we een buitenruimte nodig die onze binnenruimte niet verdringt, maar ondersteunt: een commons van aandacht. Een ruimte die niet manipuleert, maar ruimte laat; die niet dwingt, maar ontvankelijk maakt; die geen richting voorschrijft, maar toelaat dat mensen zich op elkaar afstemmen op basis van wat wezenlijk is.
Uit zo’n verhouding kan een nieuw soort wisselwerking ontstaan: een ik dat ademt,
maar ook een wereld die kan ademen. Niet in de zin van versmelting of uniformiteit, maar als wederzijdse doorlaatbaarheid: binnen en buiten die elkaar niet verstikken, maar elkaar voortbewegen.
Wat dan ontstaat, is geen mens zonder zelf, maar een mens met een zelf dat licht genoeg is om te openen en stevig genoeg om niet te verdwijnen. Een bestaan waarin handelen, voelen en denken zich kunnen oriënteren op iets groters dan het eigen middelpunt.
Schoppernau, november 2025
BIBLIOGRAFIE
- Basar, Shumon; Coupland, Douglas; Obrist, Hans-Ulrich, 2021, The extreme self. Verlag der Buchhandlung Walther und Franz König, Köln.
- Frank, Adam; Gleiser, Marcelo; Thompson, Evan, 2025, The blind spot: why science cannot ignore human experience. The MIT Press, Cambridge.