De onmogelijkheid van schrijven (of waarom ik altijd WhatsApp berichtjes inspreek en ze niet intyp ;) - een poëtica

Schrijven is voor mij geen probleem van gebrek, maar van overvloed. Zodra ik begin, ontstaan er geen zinnen, maar velden. Eén formulering opent er tien andere, elk met een eigen toekomst, elk teruggrijpend op een ander verleden. Wat zich aandient, is geen tekst maar een bewegend netwerk waarin niets tot rust komt. Wie daarbinnen wil kiezen, verlamt.

Dat is ook de reden waarom ik vaak dicteer (whatsapp etc - tot vaak mateloze ergernis van mijn arme vrienden) in plaats van schrijf. Niet omdat spreken eenvoudiger is, maar omdat schrijven iets anders vraagt. Gesproken taal dwingt voortgang af. Ze laat minder ruimte voor terugkeer. Ze laat minder tijd om te blijven hangen bij wat zich aandient. Schrijven daarentegen nodigt uit tot stilstand, tot herziening, tot reflectie. En precies daar begint het probleem.

Schrijven nodigt uit tot omkijken.

Ik kijk altijd achterom.

Dat gebaar is oud. Orpheus daalt af om Eurydice terug te halen. Hij mag haar niet zien voor hij het daglicht bereikt. Maar hij draait zich om. Niet uit zwakte, maar uit trouw aan wat hij werkelijk wil: haar zien zoals zij is in de duisternis zelf. Precies daar gaat het mis. Wie het onzichtbare zichtbaar wil maken zonder het te verraden, verliest het op het moment van aanschouwen.

Kafka wist dat dit geen mythisch detail is, maar een structurele wet.

In De brug is de verteller zelf een brug, gespannen over een afgrond. Hij weet dat hij zich niet mag omdraaien. Toch doet hij het, wanneer hij de voetstappen voelt van iemand die over hem heen loopt. Op dat ogenblik stort hij in. Niet omdat hij faalt, maar omdat hij voldoet aan de logica van wat hij is.

De schrijver is zo’n brug. Tussen een innerlijke spanning en een wereld die betekenis verlangt. Maar een brug bestaat alleen bij gratie van passage. Zodra iemand haar betreedt, ontstaat de drang om te kijken. Wie leest mij. Wat wordt dit voor de ander. Hoe klinkt het buiten mij. Dat moment van reflexieve aandacht is het moment waarop de brug haar onschuld verliest.

Ik heb lang gedacht dat mijn worsteling voortkwam uit perfectionisme. Dat ik de juiste zin zocht en haar telkens net miste. Inmiddels weet ik dat dit een misvatting was. Het probleem is niet dat de zin onvolmaakt blijft. Het probleem is dat ik verlang naar iets wat zich principieel niet laat fixeren.

Wat ik zoek, is samenval. Woorden die niet verwijzen, maar samenvallen met wat ze dragen. De blik op een spelend kind, een moeder boven een slapend gezicht, de toevallige tederheid van een moment. Ik wil dat zulke ervaringen zonder verlies in taal terechtkomen.

De toevallige tederheid van een moment dat zich aandient zonder bedoeling. Vanuit een bepaalde stemming beleef ik dat al als literatuur. Niet als tekst, maar als iets dat wil spreken.

Dat is geen schrijfstemming. Dat is een stemming van ontvankelijkheid.

In zo’n stemming lijkt de taal vanzelf te komen. De woorden lijken zich al te vormen. Niet letterlijk, maar als mogelijkheid, als belofte. Ik ervaar mezelf op dat moment niet als iemand die iets maakt, maar als iemand door wie iets heen beweegt. Ik zou op dat moment een brug willen zijn tussen hoe ik dit beleef en hoe een ander het zou kunnen ervaren.

Dat wordt op een bijna karikaturale manier zichtbaar in die bekende ervaring van de perfecte brief die zich aandient in de halfslaap. Alles klopt. De formuleringen lijken exact. De toon is juist. Het voelt alsof de tekst er al is. Alsof hij alleen nog genoteerd moet worden. Maar wat gebeurt daar eigenlijk?

Het is niet zo dat die woorden puur of privé zouden zijn. Een private taal bestaat niet. Ook deze zinnen zijn volledig publiek bemiddeld. Ze zijn gevormd door taal, door anderen, door alles wat ooit gelezen en gehoord is. Er bestaat geen ongerepte binnenkant.

En toch is er een verschil.

In die halfslapende toestand ben ik nog niet actief. Ik schrijf... nauwelijks. Ik verkeer, of liever, zweef, in een stemming waarin betekenis zich aandient zonder verantwoordelijkheid. Zonder blootstelling. De sociale bemiddeling is er wel, maar ze wordt als het ware nog niet aangesproken.

Maar stel dat er op dat moment een duiveltje zou kunnen meekijken en exact zou noteren wat er “geschreven” wordt in mijn hoofd. Zou dat werkelijk zo’n geniale tekst blijken te zijn? Of zou hij, eenmaal uit die stemming gelicht, zijn glans volledig verliezen?

Ik moet denken aan de anekdote over Paul McCartney die tijdens een LSD-trip zijn vrienden vraagt dringend pen en papier te nemen, omdat hij een essentiële boodschap heeft. De volgende dag leest hij wat er genoteerd is: there are seven levels. Op het moment zelf was dit van overweldigende betekenis. Buiten die toestand blijkt het leeg.

Dat leert ons mogelijk iets fundamenteels. Wat daar verschijnt, is geen verborgen waarheid die alleen nog correct moet worden vastgelegd. Het is een ervaring die alleen betekenis heeft binnen de stemming waarin zij verschijnt. Haal je haar daaruit, dan implodeert zij. Zoals erotische opwinding alles kan vullen met absolute intensiteit, tot die opwinding breekt en alles plots betekenisloos wordt.

Die ervaring is niet vals. Ze is reëel. Maar ze is niet overdraagbaar zonder zichzelf te verliezen.

En dat geldt niet alleen voor halfslaap, trance of roes. Het geldt voor elke stemming van ontvankelijkheid. Op het moment dat ik geraakt word door een tafereel, bijvoorbeeld in de trein, wanneer ik geraakt word door het gelaat van een moeder die met een tedere glimlach haar liefde overdraagt op haar slapende kind, beleef ik het al als betekenisvol. Maar op het moment dat ik ga schrijven, verander ik van positie. Ik verlaat ontvankelijkheid en betreed activiteit. Ik richt me nu doelbewust tot een ander. Ik word schrijver voor een lezer.

En precies daardoor verlies ik wat ik wilde bewaren.

Niet omdat ik het slecht doe, maar omdat het niet anders kan.

Het private bestaat alleen bij gratie van het publieke. Het verschijnt in de glans van mogelijke deelbaarheid. Maar op het moment dat het werkelijk gedeeld moet worden, is het al iets anders geworden. Wat overblijft, is geen ervaring, maar een spoor. Geen samenval, maar een afstand die zichtbaar wordt.

Dat is geen tekort. Dat is de voorwaarde van literatuur.

Kafka noemde dit het onvermogen om te schrijven. Tegelijk was dit precies de motor van zijn werk. Niet toevallig kon Kafka enkel schrijven wanneer hij aan dit inzicht kon voorbijgaan, bij voorkeur 's nachts, wanneer de wereld zweeg, opgaand in een roes die weer even de aloude illusoire belofte kon doen opflakkeren. Wanneer schrijven niet een beroep was, maar een inbraak. Iets dat slechts mocht bestaan zolang het geen voltooiing claimde.

Hij wantrouwde eindes. Een afgeronde tekst suggereert dat iets gevonden is. Dat de poort is gepasseerd, de belofte ingelost. Voor Kafka was dat een vorm van verraad. Daarom bleven zijn teksten open, onaf, schurend. Daarom verlangde hij naar vernietiging van zijn werk, niet uit afkeer, maar uit trouw aan wat schrijven werkelijk was.

Schrijven kan nooit volkomen of pure expressie zijn. Het blijft bij uitstel. Een belofte die zichzelf in stand houdt door niet te worden ingelost.

Daarin herken ik mijzelf. OP ALLE VLAKKEN. Want alles is een vorm van schrijven.

Ik heb lang geloofd dat er in mij een kern lag, een ware stem die slechts juist geraakt moest worden. Dat schrijven betekende die kern naar buiten brengen. Dat blijkt een spirituele illusie. Wat ik “binnenin” noem, bestaat alleen dankzij afstand. Zonder taal, zonder vorm, zonder buitenwereld is er geen betekenis, slechts intensiteit zonder richting.

De pijn zit niet in het falen om iets zuivers te zeggen. De pijn zit in het inzicht dat zuiverheid zelf een fata morgana is.

Dat maakt schrijven niet zinloos. Het maakt het preciezer. Schrijven is geen poging om te sluiten, maar om te dragen. Geen fixatie van waarheid, maar het openhouden van een ruimte waarin betekenis kan blijven bewegen.

Kafka’s figuren falen omdat zij willen vastzetten wat alleen kan circuleren. Zij willen toegang afdwingen, schuld oplossen, betekenis stabiliseren. Zij wachten voor poorten die alleen voor hen bestemd zijn en daarom nooit opengaan.

Schrijven betekent leven met die poort.

Niet haar forceren. Niet haar verlaten. Maar blijven staan. Blijven schrijven. Blijven falen. Dat falen niet opvatten als tekort, maar als vorm.

Misschien is dat de enige eerlijke poëtica. Schrijven als een brug die instort zodra zij werkelijk wordt betreden. Niet omdat zij slecht gebouwd is, maar omdat zij precies doet waarvoor zij bestaat.

En misschien is dat ook waarom ik blijf schrijven.

Niet ondanks die instorting.

Maar daardoor.

For readers interested in exploring this subject further, I would like to refer them to my book on Franz Kafka: ‘Into the White: Kafka and his metamorphoses’.

Previous
Previous

Sitting down together alone - on posture in meditation

Next
Next

The Impossibility of Writing (or why I always voice-record my WhatsApp messages instead of typing them ;) - A Poetics